In de ziekenhuizen werden in 2002 'referentiebedragen' ingevoerd als een maatregel tegen overconsumptie: voor een aantal chirurgische ingrepen dienen uitgaven groter dan 21% boven het gemiddelde terugbetaald door de ziekenhuizen. Een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) toont nu aan dat de referentiebedragen nauwelijks gekend zijn in de ziekenhuissector en technisch vatbaar zijn voor kritiek. Verschillende verbeteringen zijn mogelijk: o.a. meer informatie vanuit de overheid naar de sector, de uitbreiding naar daghospitalisatie en nietchirurgische verblijven en vergroten van de impact om een gedragswijziging te veroorzaken. In het rapport wordt ook de vraag gesteld of de beleidsmakers niet moeten overwegen een meer globale herziening van de ziekenhuisfinanciering als optie te bekijken.
Op vraag van de regering heeft een gezamelijk team van onderzoekers van het KCE, Intermutualistisch Agentschap, UZ Gent en UCL de referentiebedragen geëvalueerd.
Het management en de artsen van een steekproef van tien ziekenhuizen werden gevraagd naar hun mening over de referentiebedragen in een mondelinge en schriftelijke enquête. Zij blijken de maatregel nauwelijks tot niet te kennen, in tegenstelling tot andere maatregelen van uitgavenbeperking. De ziekenhuizen vragen zelf meer informatie en communicatie van de overheid. Uit deze enquête blijkt ook dat de impact van de maatregel op de dagdagelijkse ziekenhuispraktijk voorlopig zeer beperkt is. Dit werd ook bevestigd door de gegevens van de uitgaven in 2002, waaruit bleek dat in de eerste periode dat de maatregel van kracht was er geen wijziging in de uitgaven optrad.
Naast deze enquête werd de technische berekeningswijze van de referentiebedragen onder de loep genomen. De referentiebedragen hebben betrekking op de prestaties in klinische biologie, beeldvorming en inwendige geneeskunde/fysiotherapie. Met de huidige berekening moet bijna elk ziekenhuis terugbetalen maar meestal voor een klein bedrag. Met de cijfers van 2000 bijvoorbeeld zouden alle ziekenhuizen samen (117) net geen 3 miljoen euro moeten terugbetalen (gaande van geen tot 130 000 euro terugbetaling per ziekenhuis). In het rapport worden alternatieve berekeningsmethodes bekeken om eerder een beperkt aantal ziekenhuizen met de grootste overconsumptie aan te pakken. Dit blijkt echter niet gemakkelijk te zijn wil men blijven vasthouden aan het huidige systeem van recuperatie voor een beperkt aantal ingrepen. Een andere bevinding slaat op de groep van verblijven waarop referentiebedragen berekend worden. Nu gebeurt de berekening per groep van verblijven voor een bepaalde chirurgische ingreep aan de hand van het klassificatiesysteem dat ook voor de ziekenhuisfinanciering wordt gebruikt. Bepaalde groepen zijn zeer divers samengesteld en bevatten meerdere chirurgische ingrepen die sterk verschillen qua kostprijs. Een ziekenhuis dat vooral één (duurdere) ingreep uitvoert, kan hierdoor benadeeld worden en vice-versa. Een opsplitsing van deze groepen lijkt dan ook een goede optie.
Momenteel worden enkel ziekenhuisverblijven met minstens één overnachting in de berekeningen opgenomen. Echter, een simulatie toonde dat de uitgaven daghospitalisatie gelijk waren aan de uitgaven voor ziekenhuisverblijven met minstens één overnachting. Ook voor de preoperatieve onderzoeken bleek er geen verschil tussen daghospitalisatie en klassieke hospitalisatie. Er is dus geen reden om de daghospitalisatie uit te sluiten.
In het rapport wordt op basis van de systemen in andere landen een denkoefening gemaakt over alternatieve financieringssystemen van ziekenhuizen. Momenteel ontvangt een ziekenhuis financiering op basis van de geleverde prestaties (retrospectief), hetgeen niet steeds aanzet tot zuinig gebruik van de middelen. Een alternatief is het bedrag op voorhand vastleggen (forfait of prospectief) waardoor het ziekenhuis en niet de overheid de overschrijdingen draagt. Geen enkel berekeningssysteem kan op voorhand alle factoren die een invloed hebben op de uitgaven van een ziekenhuis in rekening brengen. Maar een systeem waarbij een ziekenhuis vooraf een belangrijk deel van de financiering kent (prospectief) en een beperkt deel achteraf wordt verrekend op basis van de geleverde prestaties, lijkt een realistische optie.
Het Kenniscentrum houdt tot slot een sterk pleidooi om de voor het beleid nuttige databestanden bij de overheid en de ziekenfondsen vlotter dan nu het geval is te kunnen samenbrengen en analyseren.