Een nieuwe studie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) toont aan dat er in België grote regionale verschillen bestaan voor chirurgische ingrepen. De woonplaats bepaalt welke kans iemand het meeste loopt om een bepaalde operatie te ondergaan. De verschillen variëren geografisch naargelang de ingreep.
De studie van het KCE heeft betrekking op electieve chirurgie. Het zijn de niet-urgente ingrepen die vooraf rustig kunnen worden gepland zonder de gezondheid van de patiënt in gevaar te brengen. Je zou denken dat de beslissing om deze operaties uit te voeren weldoordacht wordt genomen. Met weinig praktijkverschillen in de Belgische ziekenhuizen. Dat is niet het geval.
Als belangrijkste resultaat van haar studie stelde het KCE vast dat in België de woonplaats van de patiënt sterk de kans om een bepaalde ingreep te ondergaan beïnvloedt. Ook in andere landen werd reeds hetzelfde fenomeen vastgesteld.
Het doel van het KCE onderzoek : in kaart brengen van het geografische verschil van de zorgvraag, de impact van verschillen in zorgvraag en - aanbod, evenals het verband met het nut van de gegeven zorg en dit voor 8 specifieke ingrepen : cataract operatie (ongeveer 75.000 gevallen in 2002) carpal tunnel syndroom operatie, een vaak uitgevoerde ingreep aan de hand (ongeveer 23.000 in 2002), arthroscopie van de knie, een kijkoperatie (ongeveer 50.000 in 2002), knieprothese (ongeveer 12.000 in 2002), heupprothese (ongeveer 20.000 in 2002), hysterectomie, het verwijderen van de baarmoeder (ongeveer 17.000 in 2002), keizersnede (ongeveer 19.000 in 2002) en carotisoperatie , waarbij een vernauwde halsslagader operatief wordt opengerekt (ongeveer 4.000 in 2002).
Voor de 8 bovenstaande ingrepen is er voor de periode 1997-2002 globaal een groei van 27 %, wat neerkomt op een gemiddelde jaarlijkse toename van 5 %. Afhankelijk van de pathologie of aandoening kunnen de regionale verschillen groot zijn, zelfs binnen dezelfde medische discipline. De ingrepen met de grootste afwijking van de nationale referentie zijn de carotisoperatie (72 % afwijking voor één arrondissement) en arthroscopie van de knie (met afwijking tot 53 %).
Daartegenover zijn er ingrepen die weinig regionale verschillen kennen : hysterectomie en cataractoperatie, evenals de plaatsing van heup -en knieprothesen worden het meest gelijkmatig van de 8 ingrepen over België uitgevoerd.
De verschillen binnen eenzelfde regio zijn vaak even groot als de verschillen tussen de regio’s. Toch zijn er bepaalde tendensen: cataractingrepen worden meer uitgevoerd in het Oosten van België. De plaatsing van prothesen in het Westen en arthroscopie van de knie en hysterectomie in het Noorden. Keizersnede, carotis-ingreep en carpal tunnel ingreep zijn meer populair bij de chirurgen in het Zuiden.
De demografische en socio-economische verschillen en het zorgaanbod verklaren maar voor een klein deel deze verschillen. Een onvermijdelijke vraag is dan ook of al die ingrepen wel nodig waren. De studie stelt bij hysterectomie en knie arthroscopie een verband vast tussen “veel ingrepen” en “teveel onverantwoorde ingrepen”. Waar er een groot aantal van die ingrepen gebeurt, zijn ze dus vaak onnodig.
Om dergelijke ongerechtvaardigde verschillen in de toekomst te verminderen is een intensieve samenwerking tussen de actoren voor elk specifiek medisch domein een must.