Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) bestudeerde op vraag van het RIZIV de kwaliteit van geschreven informatie die artsen ontvangen van de farmaceutische industrie. Het blijkt dat een minderheid van de boodschappen (17% of 1 op 6) werkelijk wetenschappelijk gefundeerd is of gebaseerd op de bijsluiter. Artsen beschouwen de info wel niet altijd als een betrouwbare bron. De studie werd uitgevoerd in samenwerking met de wetenschappelijke vereniging van huisartsen in Vlaanderen (Domus Medica) en Wallonië (SSMG).
Artsen, apothekers en andere zorgverleners ontvangen grote hoeveelheden informatie van de farmasector in de vorm van brochures, folders, brieven en advertenties in magazines en kranten,…Die komen voornamelijk per post maar ook via farmaceutische vertegenwoordigers en naar aanleiding van bijscholingen. Huisartsen worden het meest overspoeld met deze soort van informatie : tijdens het onderzoek stelde men vast dat ze op 1 maand aan 450 advertenties werden blootgesteld.
De meeste documenten bevatten summiere informatie: enkel de naam van het geneesmiddel, een slogan of beelden die inspelen op emoties. Slechts 17% van de informatie is overtuigend gebaseerd op wetenschappelijk bewijs of op de tekst van de bijsluiter. De rest is vaag of niet wetenschappelijk gefundeerd. Enkelen zijn foutief (2%) en in tegenspraak met bestaande wetenschappelijke gegevens. Door de manier waarop de info wordt gepresenteerd is het verschil publiciteit en onafhankelijke informatie . ook niet altijd duidelijk.
Uit interviews met huisartsen blijkt de behoefte aan objectieve wetenschappelijke informatie. Het meeste vertrouwen gaat naar onafhankelijke organisaties zoals het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI). De huisartsen hebben met de farmasector een ambigue verhouding: ze hebben haar nodig voor praktische informatie, uitleg rond nieuwe medicatie en sponsoring van bijscholingen. Anderzijds ervaren zij haar soms als manipulerend.. Als voorbeeld werd informatie over antibiotica gegeven: de gevallen waarin het geneesmiddel moest worden voorgeschreven waren daarin veel ruimer gesteld dan wetenschappelijk verantwoord.
Het KCE doet een aantal constructieve suggesties naar alle betrokkenen om aan artsen meer betrouwbare en coherente informatie te garanderen. De industrie kan zelf een eigen kwaliteitscontrole ontwikkelen zoals dat reeds in enkele landen bestaat. Verder zou de overheid proactieve inhoudelijke controle op geneesmiddeleninformatie moeten uitvoeren. De informatie via onafhankelijke bronnen kan sneller beschikbaar zijn. In de opleiding van artsen moet er meer aandacht zijn voor kritische analyse van publiciteit. De verstrengeling tussen farmaceutische industrie en officiële bijscholing van artsen dient in vraag gesteld.