Screening op depressie tijdens en na de zwangerschap

Screening op depressie tijdens en na de zwangerschap

Kirsten Holdt Henningsen

Het Noorse Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (NOKC) publiceerde in januari van dit jaar een rapport, gebaseerd op een literatuuroverzicht, over screening op depressie bij vrouwen voor of na de bevalling. De bedoeling was om de Noorse 'Nationale Raad voor prioriteitsbepaling in de gezondheidszorg' te kunnen informeren over de nauwkeurigheid van de screening en over de te verwachten effecten. De zwangerschap en de periode na de bevalling zijn een periode waarin vrouwen frequent in contact komen met het zorgsysteem. Daarom leek het zinvol om te onderzoeken of het nuttig is om een screening op depressie voor en na de bevalling in te voeren.

1. ACHTERGROND

Depressieve symptomen komen vaak voor tijdens de zwangerschap en in de periode na de bevalling. Een onbehandelde depressie houdt risico's in voor zowel de moeder als haar kind. Een moeder die aan een depressie lijdt, heeft een verhoogde kans op het vertonen van risicogedrag en op psychosociale problemen, die op hun beurt negatieve gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling van haar kind.
Nagaan of een vrouw lijdt aan een klinische depressie, depressieve symptomen vertoont of neerslachtig is, is cruciaal met het oog op een mogelijke interventie, meer in het bijzonder de behandeling en ondersteuning van de moeder, het kind en het hele gezin.

2. Belangrijkste resultaten

2.1 Nauwkeurigheid screeningtests voor de identificatie van depressie:

De Edinburgh Postnatal Depression Scale (EPDS), een vragenlijst bestaande uit 10 punten om vrouwen met een postnatale depressie op te sporen, bleek het meest gebruikte instrument te zijn in studies naar nauwkeurigheid en effect. De punten op de EPDS-schaal stemmen overeen met verschillende klinische depressiesymptomen. De eindevaluatie wordt uitgedrukt in een totaalscore; hoe hoger de score, hoe meer depressieve symptomen. In dit rapport werd een score ≥ 10 gebruikt als afkapwaarde.

  • Met de EPDS werd 93 procent (95%CI: 85 tot 97) van de postnatale vrouwen met klinische depressie geïdentificeerd (sensitiviteit).
  • Met diezelfde schaal werd 78 procent (95%CI: 68 tot 97) van de postnatale vrouwen zonder klinische depressie geïdentificeerd als gezond (specificiteit).
  • Die specificiteit van 78% betekent dat met de EPDS 22% van de vrouwen zonder klinische depressie werden geïdentificeerd als vrouwen met een risico op depressie (vals-positieven).

De onderzoekers van NOKC geven het volgende voorbeeld:

Als tien procent van de vrouwen depressief is na de bevalling, zullen er in een willekeurige groep van 1.000 vrouwen 100 depressieve vrouwen zitten. Als die 1.000 vrouwen allemaal worden gescreend met EPDS (afkapwaarde ≥ 10) kunnen we verwachten dat 93 van de 100 vrouwen met een depressie zullen worden geïdentificeerd. Negenhonderd van de duizend vrouwen zouden geen depressie hebben, maar aan de hand van een screening met EPDS zullen 198 van die vrouwen toch worden geïdentificeerd als 'ziek' (vals-positief). Door 1.000 vrouwen te screenen, zullen er 291 positief testen terwijl er maar 93 depressief zijn. Met andere woorden, bij de vrouwen die een positieve test afleggen, is het risico dat ze echt een depressie hebben 32 procent (93/291). Bij de gescreende vrouwen die een negatieve test afleggen, is de kans dat ze eigenlijk wel een depressie hebben 1 procent (7/(702+7).

2.2 Effect van screening in combinatie met interventie voor depressieve symptomen:

  • Er is sterk bewijs voor het feit dat de toevoeging van een postnataal programma met een screening met EPDS en interventie, de prevalentie van depressieve symptomen in de vier tot zes maanden na de geboorte verlaagt van 10% naar 6% (95%CI: 5% tot 8%). Dit bewijs is gebaseerd op vier gerandomiseerde gecontroleerde studies en twee observationele studies, waaraan in totaal 5.052 vrouwen deelnamen.
  • De methode die werd gebruikt om depressieve symptomen te evalueren, verschilde van studie tot studie (was bijvoorbeeld gebaseerd op een klinisch onderzoek of op de retrospectieve verzameling van dagboekaantekeningen), maar de prevalentie van bevestigde klinische depressies bij de deelneemsters is niet duidelijk. Alle interventies waren psychosociale (niet-farmacologische) interventies, met verschillen op het vlak van de aangeboden begeleiding en de follow-up periode.
  • De lichamelijke of sociale outcomes voor de moeder werden niet gerapporteerd; er werden ook geen nadelige effecten van screening of interventie op de moeder, het kind of het gezin gemeld.

3. CONCLUSIES

EPDS is de meest gebruikte test, zowel in studies naar nauwkeurigheid als in studies naar doeltreffendheid. Postnatale screening met EPDS in combinatie met interventie verlaagt het percentage vrouwen met depressieve symptomen op 4-6 maanden met ongeveer 40% (Odds Ratio 0,60; 95% CI 0,49 tot 0,75) in vergelijking met geen screening. Dit betekent dat, in Noorwegen, de kans dat vrouwen - 4 tot 6 maanden na de geboorte van hun kind - in de niet-gescreende groep depressieve symptomen vertonen 10 procent bedraagt, tegenover 6 procent (van 5 tot 8 procent) in de gescreende groep. De meeste vrouwen met een (risico op) depressie zullen effectief worden opgepikt (9 van de 10), maar er zal ook een significant aantal vrouwen (ongeveer 20% van de hele groep) worden gediagnosticeerd als vrouwen met een risico op het ontwikkelen van een depressie terwijl ze eigenlijk niet depressief zijn (vals-positieven).

Verder kon uit de studie worden afgeleid dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is. De screening met EPDS zou moeten gebeuren in het kader van een grootschalige gecontroleerde studie met langdurige follow-up om het klinische effect te evalueren en gegevens te verzamelen over levenskwaliteit en gebruikte middelen. Andere geïdentificeerde lacunes op gebied van onderzoek zijn de noodzaak van studies gefocust op zwangere vrouwen, studies met een langdurige follow-up en studies die ook focussen op andere outcomes dan depressie, onder meer de outcomes voor het kind.

4. REFERENTIES

1. Larun, L. Fønhus MS, Håvelsrud K, Brurberg KG, Reinar LM. Depresjonsscreening av gravide og barselkvinner (Rapport fra Kunnskapssenteret no. 1−2013. Oslo: Nasjonalt kunnskapssenter for helsetjenesten, 2013.
2. Het rapport is beschikbaar op de website van het NOKC http://www.kunnskapssenteret.no/Home (zie 'Publications', 2013).

WAT IS KCE HAS READ FOR YOU?

inter

KCE has read for you is een samenvatting van een recent gepubliceerd hoogkwalitatief systematisch literatuuroverzicht of health technology assessment, dat relevant is voor het Belgische gezondheidszorgsysteem.

KCE has read for you is niet gebaseerd op onderzoek dat werd gevoerd door het KCE, maar de oorspronkelijke publicatie werd wel geëvalueerd en gecontextualiseerd door KCE-onderzoekers.

Meer details over de methodologie kan u vinden op de KCE-website.

doc

Dit document bevat

  • De belangrijkste bevindingen uit de geëvalueerde publicatie
  • Een contextualisering binnen het Belgische gezondheidssysteem
Cross

Het document bevat geen

  • Aanbevelingen
  • Gedetailleerde omschrijvingen

 

Band

Betrouwbare oorspronkelijke publicatie

De methodologische kwaliteit van het systematisch literatuuroverzicht werd kritisch geëvalueerd met behulp van de AMSTAR tool.

CONTACTPERSOON
Gudrun Briat
+32 (0)2 287 33 54
+32 (0)475 274 115
Published on: 
05-09-2013