Kindermishandeling

R269Uit de cijfers van de gespecialiseerde diensten (Vertrouwenscentra Kindermishandeling en Équipes SOS Enfants) blijkt dat slechts 2 tot 3% van de aangiften van (vermoeden van) kindermishandeling gebeurt door huisartsen. Om die reden werd het KCE gevraagd welke maatregelen kunnen worden genomen om de detectie van kindermishandeling door zorgverleners in het algemeen, te verbeteren.

Video-interview met Irm Vinck, auteur van het KCE-rapport

Waarom melden de huisartsen zo zelden een vermoeden van kindermishandeling ?

De belangrijkste redenen die huisartsen opgeven :  1) ze zijn bang om zich te vergissen en om zo iemand onterecht te beschuldigen 2) ze vrezen dat de goede relatie die ze meestal met het gehele gezin hebben, in gevaar komt. Hierdoor kan de belangrijke vertrouwensband, die nodig is om het kind op te volgen, verloren gaan. Ze betreuren ook dat wanneer ze een geval melden, dit hen doorgaans « uit handen wordt genomen », en dat ze geen verder nieuws meer ontvangen over het lot van het kind. En ten slotte hebben ze een gebrek aan vertrouwen in de bestaande diensten en structuren, omdat ze weten dat deze overbelast zijn.

De huisartsen zijn uiteraard niet de enigen, want  hogervermelde redenen worden ook opgegeven door een groot aantal andere betrokkenen. De detectie van kindermishandeling moet daarom ook in het algemeen worden verbeterd.

Welke van jullie 18 aanbevelingen hebben het meest betrekking op de huisartsen ?

Eerst en vooral moeten huisartsen worden geholpen bij het stellen van de diagnose van mishandeling, en dat vereist een bepaalde expertise. Daarom zouden er (voldoende) forensische artsen op afroep beschikbaar moeten zijn,  die samen met de huisarts (of met spoedartsen, vroedvrouwen, thuisverpleegkundigen, enz.) problematische situaties kunnen onderzoeken. Daarnaast moet de kennis over de bestaande tools en diensten, over het wettelijk kader, enz. worden verbeterd en moet hen communicatietechnieken worden aangereikt, zodat ze het delicate onderwerp bij de risicogezinnen ter sprake durven brengen.

In België moeten de zorgverleners zelf oordelen of, wanneer, en aan wie ze een geval signaleren. Maar de meesten vinden hun weg in het complexe systeem niet …

Daarom zijn er protocollen nodig die nauwkeurig en concreet de te volgen stappen beschrijven. Degene die vandaag al bestaan zijn nog vrij algemeen. Ze zouden op maat van de verschillende actoren moeten worden gemaakt.

Daarnaast moeten de communicatie –en coördinatiemiddelen tussen de verschilllende hulpdiensten, de politie, justitie en de medewerkers van de betrokken sectoren worden verbeterd. Dit zou zorgen voor een betere doeltreffendheid, want het is toch  het belang van het slachtoffer dat moet primeren.

Dat brengt ons bij de delicatie kwestie van het beroepsgeheim en het respect voor de privacy ….

Vandaag baseren de Gemeenschappen hun aanpak op de vrijwillige medewerking van de ouders. Deze aanpak heeft echter zijn limieten. Op een bepaald moment zouden de hulpverleners hulp moeten kunnen opleggen, via de tussenkomst van justitie. Het uitwisselen van informatie tussen de hulpdiensten (Vertrouwenscentra Kindermishandeling, Kind & Gezin,…), de politie en justitie is dan ook nodig. Momenteel test men in pilootprojecten in Vlaanderen een aantal versoepelingen van het beroepsgeheim uit, binnen zeer strikte grenzen. We kijken uit naar de bevindingen.

U vindt de 18 aanbevelingen van het KCE in de synthese van het rapport.

CONTACTPERSOON
Gudrun Briat (NL)
+32 (0)2 287 33 54
+32 (0)475 274 115
JAARVERSLAG
Published on: 
26-07-2017