Infarctbehandeling in België: geen verschillen in sterfte, grote verschillen in kosten en in aanbod

  • 24 juni 2005

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg vergeleek de kosten en het resultaat van de behandeling van een hartinfarct in alle Belgische ziekenhuizen. Er waren geen aantoonbare verschillen in de sterfte maar daarentegen wel grote verschillen in gemaakte kosten. Deze zijn voornamelijk toe te schrijven aan de organisatie van de ziekenhuiszorg in ons land. Een verbeterde zorgorganisatie kan daarom veel overbodige kosten besparen.

In een rationele zorgorganisatie onderscheidt men twee niveaus van ziekenhuizen. Gewone algemene ziekenhuizen hebben geen geavanceerde technologie in huis, zoals radiografie van de hartvaten (coronarografie), angioplastie (het 'openblazen' van een verstopt vat met een ballon), stentplaatsing (de slagader wordt verder opengehouden met een buisje in metaalwerk, een stent) of open hartchirurgie (het plaatsen van bypass). Tertiaire referentie-ziekenhuizen hebben dit allemaal wel. In de algemene ziekenhuizen kan de cardioloog door het medicamenteus oplossen van klonters (thrombolyse) toch adekwaat een infarct behandelen. Indien verdere behandeling nodig is, kunnen de patiënten dan rustig doorverwezen worden naar het tertiaire ziekenhuis.

In België onderscheidt men voor de behandeling van een hartinfarct de facto drie types ziekenhuizen. Aziekenhuizen zijn algemene ziekenhuizen, 29 B2-B3 ziekenhuizen vormen de tertiaire ziekenhuizen. Twintig B1 ziekenhuizen vormen een intermediair niveau, die wel een diagnostische radiografie kunnen uitvoeren, maar geen angioplastie of stentplaatsing. Dat is een overbodig niveau, omdat angiografie met stentplaatsing tijdens een dergelijke diagnostische radiografie kan gebeuren, en in België ook heel vaak gebeurt. Een coronarografie leidt meestal tot een interventie. De patiënt moet nu twee keer deze ingreep ondergaan, met alle kosten en mogelijke complicaties vandien.

Tertiaire ziekenhuizen worden in een rationele organisatie ingeplant op basis van overwegingen van bevolkingsdichtheid en bereikbaarheid. In België is de inplanting ongelijk, met een zeer hoog aanbod in het centrum van het land, weinig in de periferie en verdubbelingen in veel plaatsen. Dat noodzaakt verdubbeling van infrastructuur en personeel, en toegenomen aantallen interventies om de rentabiliteit van de infrastructuur te garanderen.

Het goede nieuws is dat de resultaten (sterfte binnen vijf jaar na de eerste opname) niet worden beïnvloed door het type ziekenhuis van eerste opname. A, B1 en B2-B3 ziekenhuizen bieden een even goede opvang, inclusief eventuele latere verwijzingen naar de beter geoutilleerde tertiaire ziekenhuizen. De resultaten worden evenmin beïnvloed door het kostenniveau van het ziekenhuis. Hoge kosten maken verbetert niet aantoonbaar het resultaat.

Het slechte nieuws is dat het kostenniveau aanzienlijk scheelt. De factuur voor diagnose en behandeling bij patiënten met een laag risico die conservatief behandeld werden gedurende een éénmalig verblijf, was vier maal lager in het goedkoopste A-ziekenhuis vergeleken met het duurste, en tweemaal lager in het goedkoopste B ziekenhuis (B1 of B2-B3) vergeleken met het vergelijkbare duurste ziekenhuis. Het goedkoopste A-ziekenhuis was zesmaal goedkoper dan het duurste B ziekenhuis, voor dezelfde behandeling bij dezelfde soort infarctpatiënt.

Patiënten die eerst opgenomen zijn in tertiaire ziekenhuizen zijn duurder omdat 20% meer worden behandeld met angiografies en stentplaatsing. Daar ligt geen waarneembaar verschil in de ernst van het infarct aan ten grondslag. Het beschikbare aanbod lokt de interventie uit. Patiënten in B1 ziekenhuizen zijn ook duurder dan A ziekenhuizen door het groter gebruik van veel diagnostische onderzoeken met onzeker nut.

Het Kenniscentrum pleit voor een betere spreiding van tertiaire B2-B3 ziekenhuizen. Er is ruimte voor enige tertiaire diensten in de periferie van het land. Tegelijkertijd dient het overaanbod in het centrum van het land afgebouwd. B1-ziekenhuizen nemen terug de rol op van algemene A ziekenhuizen. B1 bieden geen toegevoegde waarde aan A ziekenhuizen. Verdubbeling van de infrastruktuur leidt tot overbodige onderzoeken en behandelingen. Tussen ziekenhuizen van een zelfde niveau blijven onverklaarbaar grote verschillen in gemaakte kosten bestaan. Feedback en auditing zijn hierop één antwoord, maar een herziening van de financiering die een hoog gebruik nu aanmoedigt is even
belangrijk.

GERELATEERD LINKS
Contactpersoon
Gudrun Briat (NL)
+32 (0)2 287 33 54
+32 (0)475 274 115
JAARVERSLAG